Om half 8 liep de wekker af. Voordat we gingen
ontbijten, reden we nog even bij de receptie langs in de hoop dat er eindelijk
nieuws was over de tocht naar Drangey. We bleken de dame in kwestie uit haar
bed te bellen, maar ze had helaas geen goed nieuws. Het weer rond het eiland
was slecht, zodat er weinig zicht was en er dus geen boot naartoe ging. We
moesten het ’s middags nog een keer proberen, dat leek ons niet zo’n goed idee.
Als het ’s middags weer niet doorging dan waren we een complete dag kwijt. We gingen eerst maar ontbijten
in het 'Varmahlið'hotel. Hier hadden we een uitstekend ontbijtbuffet tot onze
beschikking met weer allerlei heerlijke crackers en boterhammen. Het leek wel
alsof we de enige bezoekers van het hotel waren, maar later kwam er toch nog
een moeder met zoon ontbijten.
Na het ontbijt liepen we
gelijk bij het informatiebureau langs dat naast het hotel lag, om te kijken
wat we nog meer in de buurt konden gaan doen. Helaas konden we niet echt iets
spectaculairs vinden, zodat we maar weer terug naar ons huisje reden. We
besloten om ons boekje te volgen en gingen op weg naar Hofsós en Þórðarhöfði.
Via de 76 reden we naar Hofsós, waar we onze eerste tankbeurt hadden. In het
plaatsje zelf was verder niet veel meer te zien of te beleven, zodat we direct
verder reden naar Þórðarhöfði. De weg voerde grotendeels langs de kust. We
hadden een prachtig uitzicht op de eilanden Malmey en Drangey. Þórðarhöfði kwam
al gauw in zicht, maar helaas konden we geen parkeerplek vinden. We wilden
graag een wandeling over deze 171m hoge berg maken, die volgens een oude legende
een groot aantal elfen herbergt.
Ons volgende doel werd nu het ruim 6 km2
grote Miklavatn. Maar ook dit bleek bij aankomst niet veel bijzonders te zijn,
zodat we wéér verder reden. Dit keer was Dalvík ons doel voor een boottocht
naar Hrísey. De geasfalteerde 76 was inmiddels overgegaan op de gravelweg 82,
die ons naar Olafsfjöður bracht. Via een 3400m lange tunnel door de berg
Ólafsfjarðarmúli kwamen in Dalvík aan. De veerpont naar Hrísey bleek echter
vanuit Árskógssandur te gaan, zodat we nog een stukje verder moesten rijden.
Bij een pompstationnetje vroegen we waar we precies moesten zijn. De
vriendelijke dame vertelde ons dat we op de boot konden betalen en dat de pont
elk moment kon aankomen.
Om half 2 vertrokken we
met het pontje richting het op een na grootste eiland (11.5km2) van
IJsland: Hrísey. De overtocht duurde slechts 15 minuten. Eenmaal aan de
overkant aangekomen stond er een prachtig overzichtelijk bord van het eiland
met de wandelroutes. We hoefden maar een klein stukje te lopen, voordat we het
dorpje verlieten en we ons in de natuur konden storten. We konden kiezen uit
verschillende wandelroutes. We besloten de route van 5 km te nemen, want die
liep grotendeels langs de kust van het eiland. In het eerste gedeelte van
de wandeling hadden we weer last van lastige sternen die hun nesten bewaakten.
Gelukkig waren ze niet zo vreselijk opdringerig als de stern in Þingvellir,
maar toch! Je kon goed merken dat er niet veel toeristen op het eiland komen,
want het paadje was af en toe heel slecht begaanbaar en moeilijk te zien. De
omgeving was prachtig. De begroeiing was laag, zodat we veel vogels om ons heel
konden zien vooral meeuwen. Het eiland bezat een hoge rotskust, zodat we de
eidereenden van bovenaf konden bewonderen. Zelfs nu we zover van hun af stonden
waren ze bang en zwommen ze telkens weg als we over het randje naar beneden
keken. Tijdens het laatste stukje van de wandeling werden we weer begroet door
onze grote vrienden.
Rond 4
uur waren we weer
terug in het dorpje, waar de mensen door een tractor werden vervoerd.
Voordat we terug naar de boot gingen, maakten we nog wat fotootjes
van de vrolijk
gekleurde huizen met op de achtergrond de prachtige fjorden. Het
openbare
toilet zag er overigens geweldig uit. Het was een houten huis met
verschillende
toiletten en kraantjes, die prachtig schoon en fris waren. Om half 5
vertrok
het pontje weer richting Árskógssandur. We reden verder
over de inmiddels weer in
asfalt veranderde 82 naar Akureyri voor ons diner. Akureyri is de
grootste
plaats van Noord-IJsland (ca. 17.000 inwoners). Het heeft dan ook de
bijnaam
‘Hoofdstad van het noorden’. We besloten, na uiteraard even
gezocht te hebben,
in het gezellig drukke 'Bautinn' restaurant te gaan eten. Het
voorgerecht bestond
weer uit zo’n heerlijke saladbar, waar we zelf uit konden
opscheppen. We kozen
voor een heerlijk soepje en wat verse groente voor naast ons
hoofdgerecht, dat
bestond uit een heerlijke pasta bolognese. De rekening viel voor
IJslandse
begrippen best mee: ISK 4960. Voordat we terug reden naar
Varmahlíð, maakten we nog even wat foto’s van de nabij
gelegen prachtige kerk.
Via de 1 reden via een prachtige weg door de bergen terug naar huis,
waar we om
kwart over 9 aankwamen. We wilden eigenlijk nog even in de hotpot om
bij te
komen van deze dag, maar helaas begon er een graafmachine vlakbij te
werken. De
douche leek ons daarom een beter alternatief. Nadat het dagboek
bijgewerkt was
en de route voor de volgende dag was bepaald gingen we rond half 11
eindelijk
slapen.