We werden om
half 7 wakker nog net voordat
de wekker af ging. Het was buiten ontzettend mistig en druilerig. Het
ontbijt was fantastisch uitgebreid. We konden kiezen uit verschillende
soorten
brood (stokbrood, crackers, broodjes en koekjes) en beleg (jam, kaas,
ei, paté).
Het was inmiddels aardig druk geworden in het hotel, want haast alle
tafels
waren bezet. Om half 9 vertrokken we
naar de drieduizend jaar oude Grábrók krater,
die slechts 10 minuten
vanaf het
hotel lag. We parkeerden de auto op de kleine parkeerplaats voor het
informatiebord. Via een hekje kwamen we op een houten vlondertrap
terecht. Helemaal boven op de kraterrand hadden we een
prachtig uitzicht over het Grábrókarhraun
lavaveld. We maakten een rondje over
de kraterrand en zagen de tweede
krater Grabrókarfell
in de verte liggen. De
derde en laatste krater konden we niet vinden en pas toen we beneden op
het
bord keken, zagen we de Litla-Grábrók
vlak voor onze neus liggen. Via de 1 reden we verder
noordwaarts richting onze volgende stop in Hvammstangi, waar we in een
kleine
supermarkt wat boodschapjes deden. Voor ISK 800 hadden we 2 grote
flessen
limonade, 4 appels en 6 bananen. Vanuit Hvammstangi reden we verder via
de 711
naar Svalbarð. Hier maakten we wederom een korte stop voor een
zeehondenkolonie
die zich voor de kust op de rotsen zou bevinden. Nadat we een metalen
klaphekje
hadden gepasseerd, volgden we een klein voetpaadje richting de kust. Op
de
rotsen voor de kust bevonden zich inderdaad een aantal zeehonden die
lekker op
hun gemak lagen te dromen. Ietsje verderop lagen 2 zeehonden
midden op een zandbank. Het was een komisch gezicht, want ze
waren omringt door water. Hierdoor leek het net alsof ze op het water
dreven. Naarmate we verder
noordwaarts reden, begon de zon steeds meer terrein te winnen. Tijdens
onze rit van Svalbarð naar Hindisvík hadden we een
stelletje malle geiten op de weg. Die beesten bleven maar voor ons uit
rennen,
totdat ze op een gegeven ogenblik
zo moe waren dat ze eindelijk door
hadden dat
ze ook gewoon aan de kant konden gaan. Bij Hindisvík hoopten
we ook nog wat
zeehonden te zien, maar helaas. Wel waren we hier getuigen van de
eerste
wandeling van een veulentje dat net geboren was. Er bevonden zich een
heleboel
paarden bij de gelijknamige, verlaten boerderij. Nadat Jeroen zijn
leven had
gewaagd, door op een heel smal randje te gaan staan zodat ik een foto
kon
nemen, reden we weer verder naar de versteende
trol Hvítserkur.
Via een heel stijl en
spectaculair afdalend paadje kwamen we bij een parkeerplaatsje aan.
Hier
vandaan liep een smal paadje naar een houten vlonder, waar we een mooi
uitzicht
hadden op de rots. De rots dankt zijn naam (Hvítserkur=
‘Wit shirt’) aan de
vele vogelpoep. Volgens een oude legende is het een trol, die bij
zonsopgang in
steen veranderde.
De volgende
stop was bij de prachtig
opgeknapte Ósar boerderij. Tegenover deze boerderij begon
een paadje dat naar
beneden liep en bij de kust eindigde. Een vriendelijke man hielp ons
het hek
openen en vertelde ons dat we niet te ver naar het oosten moesten lopen
vanwege
de vele vogels die aan het broeden waren. Via een houten hekje kwamen
we op een
mooi uitzichtpunt uit waar we even gingen zitten.
Voor ons op de
zandbanken
lagen een heleboel zeehonden te genieten van de zon. Toen we weer terug
liepen
door het houten hekje, stortte het hekje in. Een van de haken had het
begeven,
met een steen probeerde we het hekje te repareren zodat het
provisorisch bleef
hangen. Bij Vesturhópshólar
sloegen we van de 711 af en reden we verder over de 717 langs het
Vesturhópsvatn richting Borgarvirki. Deze merkwaardige
rotspartij bestaat uit
10 tot 15 meter hoge basaltzuilen. Op de top bevond zich een ronde
inzinking
die naar het oosten toe open was, maar met een muur was afgesloten.
Binnen de
muur bevonden zich de resten van twee woningen en een bron. Het geheel
is met
raadsels omgeven, omdat nergens in de IJslandse literatuur iets over
Borgarvirki terug te vinden is.
Vanaf
Borgarvirki reden we
in één keer door via de 1 naar
Varmahlíð. Rond half 6 kwamen we in het plaatsje
aan en moesten we nog even zoeken waar we precies moesten zijn voor ons
hotel.
Het bleek dat we ons eerst moesten melden bij een soort receptie midden
in een
loodsterrein. Vervolgens moesten we de eigenaresse volgen met
de auto en werden
we naar ons huisje gebracht. Bovenop de heuvel stonden 6 huisjes
gezellig rond
een hotpot. Nadat we onze spullen in het huisje hadden
gezet, gingen we op zoek naar een restaurant in het iets verderop
gelegen
stadje Sauðárkrókur. Het stadje was niet
veel meer dan een redelijk dorp in
onze ogen. De restaurants lagen ook niet voor het oprapen. Uiteindelijk
gingen
we maar gewoon bij eentje naar binnen. Hier bestelden we een heerlijke
paardenbiefstuk. Vooraf mochten we weer, net als in Reykjavik, naar
keuze soep en
groente of fruit pakken. De rekening was weer afschrikwekkend hoog (ISK
5700
voor 2 paardenbiefstuk en twee glazen cola en fanta). Na het eten
moesten onze
portemonnees weer gevuld worden. Bij een pinautomaat namen we beide ISK
10.000
op, zodat we weer even vooruit konden. Tijdens de terugrit naar ons
huisje,
maakten we nog even een korte stop bij Glaumbær. Rond 9 uur
waren we weer terug
en kregen we algauw bezoek van de eigenaresse, die ons nog steeds geen
nieuws
over Drangey kon vertellen. Na een heerlijke douche besloten we om
lekker op
tijd naar bed te gaan.