Dag 2: Þingvellir – Hraunfossar/Barnafoss Vrijdag 10 Juni 2005
Na een heerlijke nacht in een fantastisch bed, werd
ik om 5 uur voor het eerst wakker. Het was uiteraard nog steeds licht buiten.
Zeven uur liep de wekker af en ging Jeroen als eerste douchen. Eenmaal
aangekleed gingen we naar beneden voor het ontbijtbuffet, wat uit bruin brood
en witte broodjes met ham/kaas/ei/Gelderse worst/jam bestond. Om kwart over 8 vertrokken
we richting het nationale park Þingvellir via de 36. Onderweg maakten we nog
een korte stop om een foto van het Þingvallavatn en de vele lavatorentjes te
maken. In het bezoekerscentrum vonden we foldertjes van het nationale park.
Vanaf het uitzichtpunt hadden we een prachtig uitzicht over niemandsland. Het
gedeelte tussen de Noord-Amerikaanse en Europese plaat ookwel
Midden-Atlantische rug genoemd. Met het statief van Jeroen maakte we een
fotootje van ons samen. We vervolgden ons weg al lopend op zoek
naar de Öxarárwaterval. We dachten de waterval gevonden te hebben en waren
enigszins teleurgesteld in de grootte ervan. Nadat we nog een stukje verder
hadden gelopen, hoorden we het geluid van vallend water. We klommen op een van
de kloofwanden omhoog en zagen de ‘echte’ Öxarárfoss liggen. Via een speciaal
aangelegd paadje konden we dichterbij de waterval komen voor een paar mooie
plaatjes. Vervolgens liepen we
verder naar het Penninggagjá, waar een heleboel muntjes in het water lagen.
Deze wensput is iets van de laatste tijd. Als je het muntje tot op de bodem
kunt volgen, mag je een wens doen. Terwijl we daar stonden te kijken, werden we
opeens aangevallen door een Noordse stern die zijn nest beschermde. We gingen
maar gauw terug, want hij vloog zo dicht langs ons dat het wel een beetje
eng werd. Bovendien zagen we hem ook andere mensen aanvallen niet alleen met
schijnaanvallen, maar ook met zijn ontlasting. Gelukkig hadden we alleen een
beetje vogelpoep op de rugzak zitten. Via de lange houten vlonders in
niemandsland liepen we weer terug naar de parkeerplaats.
Ons volgende doel was een bezoek aan twee
zeer bijzonder mooie watervallen namelijk Hraunfossar en Barnafoss. Via de 48
reden we binnendoor naar het walvisfjord: Hvalfjörður. De geasfalteerde 47 was
een stuk makkelijker begaanbaar dan de 520, die volgens onze kaart de 50 zou
moeten zijn. Via deze 50 hoopten we bij Reykholt te kunnen komen. Het was een
zeer slechte weg met veel hobbels en kuilen in de grind/gravellaag. Onderweg
kwamen we een vrachtwagen tegen die de weg nat hield met sproeiers op de achterkant.
Nadat we deze wagen gepasseerd waren, had onze autootje een ander
kleurtje gekregen. We maakten nog een korte stop om een foto te maken
van Skarðsheidi, een
prachtig met sneeuw bedekt gebergte. Het laatste stukje naar de twee
watervallen bleek de echte geasfalteerde 50 te zijn. De grootste hete bron van
IJsland Deildartunguhver konden we niet vinden. We besloten om het op de weg
naar het hotel nog een keer te proberen. Het allerlaatste stukje
naar de watervallen was een zeer slecht grind pad dat dood leek te lopen
doordat er gewerkt werd op de weg, maar net voor de vrachtwagens was er een
korte afslag naar een parkeerplaats voor de watervallen. Eerst gingen we bij
het restaurant even plassen. Het restaurant bestond uit een heel klein houten
huisje waar niemand aanwezig was. De toiletten waren gelukkig wel open en
schoon. Hraunfossar was de eerste
van de twee watervallen die we bezochten. Het water van de Hvítá stroomt over
een afstand van bijna 1 km water over een niet-doorlatende laag onder het
lavaveld Hallmundadhraun vandaan in de rivier. De talloze watervalletjes die
we hierdoor zagen, worden heel toepasselijk Hraunfossar genoemd. Het helder
blauwe water stak prachtig af tegen de donkere lavalaag. Een klein stukje
stroom opwaarts zagen we de Hvítá zich door een nauwe doorgang wurmen, de
Barnafoss. We konden goed dichtbij komen door even een klein stukje over de
rotsen te klauteren. Ook hier stroomde van dat prachtige blauwe water. Via een
bruggetje konden we naar de overkant van het water en hadden we een prachtig
uitzicht op de Hraunfossar. Hier namen we dan ook even de tijd voor een mooi
plaatje van ons tweeën.
Vanaf de prachtige watervallen gingen we op
zoek naar ons hotel en hoopten we eveneens nog de grootste hete bron van
IJsland te vinden. Deiltartunguhver lag precies aan de andere kant van de weg
dan we dachten. Dat kwam omdat het boekje wat we gebruikten de route precies in
omgekeerde volgorde behandelde. Nadat we uitgestapt waren, kwam de ‘rotte
eieren’ lucht al snel op ons af. De bron levert maarliefst 180 liter kokend
water per seconde! Sinds 1981 voorziet hij Bogarnes (34km) en Akranes (64km)
van heet water. Als het water daar uiteindelijk aankomt, heeft het nog een
temperatuur van respectievelijk 90˚C en 87˚C. Een vriendelijke dame liet ons
binnen in het gebouwtje de enorme pompen zien, die het water naar de
betreffende plaatsen pompt. Aan de muur hing een kaart waarop de enorme
pijpleidingen stonden aangegeven. Rond 5 uur arriveerden we
in 'Bifröst Fosshotel', wat een omgebouwde kostschool bleek te zijn. Nadat we
onze spullen op de kamer (204) hadden gezet, gingen we nog even een kleine
wandeling maken. Al gauw zagen we dat we eigenlijk al lopend niet zo ver
konden komen, zodat we met de auto op pad gingen. Via een spannende weg reden
we naar een heuvel achter ons hotel, vanwaar we een prachtig uitzicht hadden op
het Hreðavatn. Hier maakten we een kleine wandeling over een zompig eilandje.
Om half 7 waren we weer
terug in het hotel voor het diner. We kozen beide voor de vegetarische
Tagiatellischotel met verse groenten. De rekening was weer pittig voor de 2
schotels samen met 2 thee, een jus d’orange en een cola waren we ISK 4330
kwijt. Na het diner gingen we terug naar onze kamer, waar we een planning voor
de volgende dag hebben gemaakt. Nadat we gedoucht hadden en het dagboek weer
bijgewerkt was, gingen we om kwart over 10 eindelijk slapen.