Dag 13: Skógar (via Seljalandfoss) – Gullfoss Dinsdag 21 Juni 2005
Een uurtje nadat de wekker was afgegaan, zaten we
al aan het ontbijt. We bleken niet de eerste te zijn, want de hele zaal zat vol
met Fransen. Gelukkig waren zij grotendeels klaar, zodat het snel een stuk
rustiger werd. Op de buffettafel stond dit keer een heerlijke aardbeienyoghurt,
die we konden vullen met bijpassende harde muesli nootjes met stukjes aardbei. Kwart voor 9 vertrokken we vanuit het hotel
en reden we nog even langs het zwarte strand om wat fotootjes te maken. Het
strand zag er nu veel aantrekkelijker en mooier uit, omdat er een gezellig
zonnetje scheen. Terwijl Jeroen mooie plaatjes aan het schieten was, genoot ik
nog even van de vrolijke rondvliegende Puffins. Vanaf het strand gingen we
op weg via de 1 naar de ‘Stinker’ ofwel de Sólheimajökull. Via de 221 bereikten
we deze uitloper van de Mýrdalsjökull gletsjer. De Sólheimajökull heeft zijn
naam te danken aan het stinkende rivierwater, dat als gevolg van vulkanische activiteit
onder het ijs vaak naar zwavel ruikt. Nadat we de auto hadden geparkeerd,
maakten we een korte wandeling langs de gletsjertong. De lucht bleef gelukkig
zuiver, zodat het voor ons een gewone gletsjertong bleef.
Onze volgende stop was in het dorpje Skógar.
De Skógafoss was vanaf de weg al prachtig te zien. Deze 60m hoge waterval
behoort tot een van de hoogste van IJsland. Volgens een oude legende heeft de
kolonist Þrasi een kist met goud onder de waterval verborgen. Er is vaak naar
gezocht, maar tot nu toe nog steeds zonder resultaat. We parkeerden de auto op
de parkeerplaats en liepen het laatste stukje naar de waterval. Hij zag er
prachtig uit mede dankzij het zonnetje. Een heldere regenboog vervolmaakte het
betoverende tafereel. Via een trap konden we naar boven, zodat we de waterval
van bovenaf konden bewonderen. Boven stond er ontzettend veel wind, zodat het
best lastig was om een mooi plaatje te schieten. Bovendien waren er weer van de
leuke randjes, waar Jeroen nogal wat moeite mee had.
Het volksmuseum was de
volgende bestemming. Het museum was verdeeld in een buiten- en binnen verblijf.
We besloten eerst lekker buiten de boel te verkennen, aangezien het heerlijk
weer was. Op het buiten terrein bevond zich een turfboerderij uit 1880, een
houten herenhuis gemaakt van drijfhout uit 1878, een boerderij uit 1919, een
kerkje uit 1879 en een schooltje uit 1901. Binnen konden we een groot aantal
gebruiksvoorwerpen bewonderen. Nadat we alles in onze ogen hadden gezien,
besloten we een heerlijke slagroom wafel in het restaurantje te eten voordat we
weer zouden vertrekken.
Via de 1 reden we naar de 249 voor de
Seljalandfoss. Deze kleine, maar hoge waterval lag aan de oude ringweg, zodat
we een klein stukje moesten omrijden. Het bijzondere van deze waterval was de
mogelijkheid om er achterlangs te lopen. Er stond ontzettend veel wind, zodat
de waterval helemaal verwaaide. Uiteraard wilden we de waterval ook van de
andere kant bekijken, zodat we eerst even naar wat andere mensen keken om de
beste tactiek uit te vinden. Via de linkerkant konden we via een smal paadje,
wat nogal nat en glibberig was, vrijwel droog achter de waterval komen.
Natuurlijk hadden we wel al onze spullen veilig onder onze jas verborgen, wat
je weet nooit de natuur is veranderlijk. De weg terug was lastiger om droog
over te komen. Timing was het belangrijkste, de wind moest de andere kant op waaien
en dan konden we grotendeels droog terug komen. We hadden
geduld en op het juiste moment renden we snel over het pad naar veilig droog
gebied. In Hella gingen we op zoek
naar een art/handicraft winkeltje. We hoopten hier een houten papegaaiduiker te
vinden, maar helaas verder dan rommel kwamen ze niet. We zetten koers naar ons
'Edda' hotel in Laugarvatn, waar we rond half 5 arriveerden. We kregen al snel
spijt dat we de koffers direct hadden meegenomen, want onze kamer (103) lag in
een ander gebouw.
We vertrokken direct weer richting de
mooiste waterval van IJsland, de Gullfoss. Het water viel hier in twee
trappen, die haaks op elkaar stonden, ruim 32m naar beneden. De trappen waren
gevormd door harde basaltlagen, die afgewisseld werden door zachter materiaal.
Het opspattende water zorgde weer voor enige nattigheid, maar ook voor een
prachtige regenboog, waaraan de waterval zijn naam ‘Gouden waterval’ dankt. We
konden de waterval vanaf twee verschillende plateau’s bekijken. We begonnen bij
het bovenste plateau, waarbij we ook enigszins nat werden. We hadden wel een
goed zicht op de twee trappen, waar het water vanaf raaste. Het tweede plateau
bereikten we met de auto en hiervandaan hadden we een prachtig uitzicht op de
regenboog bij de waterval. We reden een klein stukje
terug over de 35 naar Geysir, waar we in een hotel in het restaurant gingen
dineren. Vanaf ons tafeltje hadden we prachtig uitzicht op de Strokkur die om
de 5 minuten een enorme waterstraal de lucht in joeg. We bestelden een Geysir
sandwich en Geysir burger (ISK 3540). Ondanks dat er op de menukaart stond dat
het small dishes waren, kregen we een aardig bord voorgeschoteld met een
heleboel extra patatjes.
Na het diner liepen we naar
de Strokkur geiser. Het was lekker rustig, zodat we op ons gemak foto’s konden
nemen van de spuitende geiser. We moesten uiteraard wel geduld hebben, want
tussen de uitbarstingen zaten soms wel 8 minuten. De zon scheen prachtig, zodat
de foto’s extra mooi werden. Voordat we er erg in hadden was het half 10 en dus
hoog tijd om terug naar het hotel te gaan voor de nacht. We moesten nog een
aardig eindje rijden, zodat we pas om 11 uur in ons bed lagen.